Twee botsende democratische perspectieven in het woondebat

Het publieke debat over de sociale huurmarkt wordt gekenmerkt door een botsing tussen twee groepen: statushouders en langwachtende Nederlandse woningzoekenden. In werkelijkheid is het een botsing tussen twee democratische perspectieven.

Als we inzoomen op het debat over de sociale huurmarkt, zien we dat minister Mona Keijzer van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de voorrangsregel voor statushouders uit de wet wil schrappen. Zij vindt voorrang verlenen aan statushouders op een toch al gespannen woningmarkt oneerlijk tegenover mensen die soms al tien jaar ingeschreven staan op de wachtlijst (zie analyse van de Utrecht Monitor).

De Raad van State adviseert tegen deze schrapping en concludeert dat het wetsvoorstel leidt tot ongelijke behandeling in strijd met het door onder meer artikel 1 van de Grondwet gegarandeerde recht op gelijkheid (lees het volledige advies van de Raad van State). Statushouders hebben volgens de Raad een feitelijke achterstand op de woningmarkt, omdat ze geen opgebouwde wachttijd hebben. Het afschaffen van hun voorrang leidt volgens de Raad tot ongelijke behandeling die niet objectief te rechtvaardigen is.

Nu Mona Keijzer het advies naast zich neerlegt en de wet toch wil aanpassen (aldus de verklaring van BBB), vliegen de beschuldigingen van ondemocratisch handelen en rechtsstaat ondermijning over tafel. De vraag is: wie heeft er ‘gelijk’? Het antwoord is: beide, afhankelijk van het perspectief. De Raad van State hanteert een meer rechtsstatelijke invulling, waarbij verdragen, instituties en het recht zorgdragen voor een eerlijke verdeling. Keijzer beroept zich meer op volkssoevereiniteit, waarbij de gekozen volksvertegenwoordiging de belangen van de stemgerechtigde bevolking moet beschermen.

Dit debat laat zien hoe twee fundamentele perspectieven op democratie met elkaar botsen. De kernvraag is: moeten we bij schaarste, in dit geval woningen, kiezen voor het compenseren van een ongelijke startpositie, of voor het beschermen van procedurele gelijkheid?

Twee vormen van gelijkheid

De onderliggende vraag is of statushouders en de van origine Nederlandse woningzoekenden ‘gelijke gevallen’ zijn, en dus gelijk behandeld moeten worden volgens artikel 1 van de Grondwet. Om dit te onderzoeken, maken we onderscheid tussen twee vormen van gelijkheid die voortkomen uit de twee democratische perspectieven.

Formele gelijkheid: het volkssoevereine perspectief
Volgens de minister moeten we alle woningzoekenden formeel als gelijke zien en dus ook behandelen. Het is vanuit dit perspectief dan ook onverdedigbaar dat een statushouder iemand passeert die al tien jaar wacht. Het gelijkheidsbeginsel betekent hier: gelijke regels voor iedereen. Iedereen moet dezelfde procedures volgen. Dit waarborgt de voorspelbaarheid van het systeem, een belangrijke pijler van de rechtsstaat.

De langwachtende woningzoekenden beroept zich dan ook op deze procedurele gelijkheid. Hij heeft zich gehouden aan de maatschappelijke norm, namelijk wachten op basis van inschrijftijd. Als de regels nu worden aangepast op basis van groepsstatus, voelt dat vanuit hun perspectief als een schending van de afspraak die binnen de democratie is gemaakt. Dit ondermijnt de procedurele integriteit, de rechtszekerheid en het vertrouwen in een eerlijke verdeling. Je zou dit een inbreuk op het solidariteitsprincipe tussen woningzoekenden kunnen noemen, omdat de last van het huisvestingsvraagstuk op het bord van de meest ‘geduldige’ terechtkomt, namelijk de jonge starters zonder kapitaal. Vanuit het rechtsstatelijke perspectief loopt dit volkssoevereine handelen het gevaar de grondwettelijke bescherming van kwetsbare minderheden te ondermijnen en mogelijk in strijd met internationale verdragen.

Materiële gelijkheid: het rechtsstatelijke perspectief
De Raad van State ziet de statushouder en de langwachtende woningzoekenden als ongelijke gevallen. De statushouder heeft geen wachttijd kunnen opbouwen en moet wettelijk de asielopvang verlaten om te integreren (volgens informatie van de Rijksoverheid). Het afschaffen van de voorrangsregel leidt dan tot materiële ongelijkheid en schendt het gelijkheidsbeginsel door discriminatie te creëren.

Hier betekent het gelijkheidsbeginsel: gelijke uitkomsten, niet alleen gelijke regels. Soms vereist gelijke behandeling juist een ongelijke benadering om achterstanden te compenseren. Statushouders krijgen op basis van de Vreemdelingenwet in eerste instantie een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, wat op zichzelf al veel onzekerheid met zich meebrengt. Het schrappen van hun voorrang op de huurmarkt is daarom extra zwaarwegend en raakt aan de rechtsstatelijke plicht om kwetsbare minderheden te beschermen. Tegenstanders van dit perspectief stellen dat het laten voorgaan van juridische adviezen de democratische beslissingsruimte van het verkozen parlement ondermijnt, met als risico dat er ‘op afstand’ geregeerd wordt door niet verkozen organen.

ongelijke kansen voor beide groepen

Op het eerste gezicht lijkt het debat een strijd tussen twee tegenstrijdige belangen: statushouders zonder woning en wachttijd tegenover langwachtende woningzoekenden die eveneens zonder woning zitten. Maar is het een strijd? Beide groepen worden beperkt in hun positieve vrijheid: de vrijheid om hun leven vorm te geven, een gezin te stichten of te herenigen, en een bestaan op te bouwen. Het wegnemen van voorrang bij de ene groep lost de problemen van de andere groep niet op aangezien er simpelweg niet voldoende huizen zijn. Er zijn dus alleen maar verliezers, ongeacht de keuzes die het kabinet maakt.

De noodzaak van communicatie

Wat ontbreekt in het debat is explicitering van het onderliggende perspectief. Welk perspectief van democratie hanteren we? Passen we altijd hetzelfde perspectief toe of doen we aan cherry picking? Welke afweging maken we, en wat zijn de gevolgen? Daar zouden we een open discussie over moeten voeren.

Hanteren we een voornamelijk volkssoevereine democratie?
Dan krijgt de meerderheid haar zin met het risico dat de bescherming van de rechten van kwetsbare minderheden (in dit geval de statushouder, maar de jonge woningzoeker net zo goed) onder druk komt te staan of in sommige gevallen geschonden wordt. Wetgeving die puur gericht is op de wens van de kiezers, zou dan vaker in strijd komen met bijvoorbeeld internationale verdragen of de interpretatie daarvan.

Hanteren we een voornamelijk rechtsstatelijke democratie?
Dan moeten we accepteren dat er soms impopulaire maatregelen genomen worden die ingaan tegen de directe wil van een deel van het volk (in dit geval de langwachtende woningzoekenden), om te voldoen aan juridische plichten. Dat vraagt om actieve verdediging van solidariteit en compensatie, ook als dat electoraal ongemakkelijk is.

Een combinatie van de twee ligt het meest voor de hand, want beide zijn op zichzelf te absoluut. De politiek kan in ieder geval alvast beginnen met duidelijke communicatie over dit spanningsveld en zoeken naar een balans tussen de twee perspectieven. Zo kan het gevoel van onrechtvaardigheid bij burgers afnemen en het vertrouwen in zowel de politiek als de rechtspraak worden hersteld. Want een samenleving waarin dat vertrouwen ontbreekt, is in niemands belang.

DELEN